Ammoniakemissie in en rondom Natura 2000-gebieden, 2010-2021

In zones van 500 meter rondom stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden bedraagt de gemiddelde ammoniakemissie afkomstig uit landbouw per hectare ongeveer de helft van de gemiddelde emissie van de landbouwgebieden daarbuiten. Dit verschil wordt veroorzaakt doordat de landbouw in deze zones al extensiever is dan erbuiten. In deze zones komen relatief meer overige graasdierbedrijven voor (met jongvee, vleesvee of schapen) en relatief meer bedrijven met agrarisch natuurbeheer, recreatie, verbrede landbouw of biologische landbouw.

Nationale Omgevingsvisie zet in op extensivering landbouw rondom Natura 2000-gebieden

In de Nationale Omgevingsvisie is gesteld dat een landbouwontwikkeling gebaseerd op het sluiten van kringlopen en natuurinclusiviteit het meest urgent is in de nabijheid van kwetsbare natuur. Het sluiten van kringlopen betekent dat in deze gebieden verliezen van nutriënten worden geminimaliseerd en dat de aanvoer van stikstofkunstmest en van veevoer van buitenaf vermindert. Dit is vooral een opgave voor de veehouderij. De veronderstelling daarachter is dat natuurinclusieve landbouw en het meer sluiten van nutriëntenkringlopen leidt tot extensivering en daardoor minder stikstofemissie, waardoor vervolgens ook de stikstofbelasting op de nabijgelegen natuur vermindert. 

In het Nationaal Programma Landelijk Gebied (LNV, 2023) zijn deze gebieden ‘overgangsgebieden’ genoemd.Dit soort overgangsgebieden zijn niet alleen belangrijk om de stikstofbelasting van Natura 2000-gebieden te verminderen, maar kunnen ook bijdragen aan het verminderen van de pesticidenbelasting of het verminderen van de grondwateronttrekking wat verdroging van natuurgebieden veroorzaakt. 

Omdat er nog geen overgangsgebieden zijn aangewezen, is voor deze indicator gekozen voor een zone van 500 meter rondom stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden. Uit onderzoek is bekend dat van de ammoniakemissie van landbouwbedrijven binnen deze zone er relatief veel in het Natura 2000-gebied neerkomt. Met andere woorden: elke kilogram extra reductie van ammoniakemissie in de 500-meter zone zal effectiever zijn dan de reductie van een kilogram buiten die zone (Bakker et al., 2021; Roest et al., 2021).  

Ammoniakemissie in en om stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden 

De ammoniakemissie in Nederland is zowel in en rondom de Natura 2000-gebieden, als ook in de overige landbouwgebieden buiten deze gebieden, gedaald in de periode 2010 – 2021. 

Binnen of direct naast de Natura 2000-gebieden liggen soms nog enkele landbouwbedrijven en / of landbouwpercelen. Omdat het relatief weinig bedrijven en percelen zijn, is de gemiddelde emissie van de landbouw binnen Natura 2000-gebieden met gemiddeld circa 8 kilogram per hectare in 2021 laag.

In de 500-meter zone is de gemiddelde ammoniakemissie van de landbouw per hectare twee keer zo groot als binnen de Natura 2000-gebieden maar de helft lager dan in de overige landbouwgebieden. Dit terwijl de emissiedaling relatief ongeveer even groot is. 

De totale landelijke ammoniakemissie uit de landbouw is in deze periode met 9 procent afgenomen. De gemiddelde ammoniakemissie per hectare in de overige landbouwgebieden buiten de zones rondom stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden verschilt per provincie. De emissies zijn het hoogst in Gelderland en Overijssel. De daling van de gemiddelde ammoniakemissie per hectare is het grootst in de provincies Limburg, Noord Brabant, Gelderland en Overijssel.

De landelijke ammoniakemissiedaling is een effect van het beleid

De sterkere emissiereductie in de provincies met relatief veel intensieve veehouderij zoals Noord-Brabant en Gelderland, wordt vooral verklaard door geleidelijke verdergaande toepassing van effectieve emissiearme technieken bij stalsystemen, zoals luchtwassers. Aanscherping van het Besluit emissiearme huisvestingssystemen landbouwdieren zorgde ervoor dat bedrijfsontwikkeling alleen mogelijk was met emissiearme stalsystemen. Sinds 2020 moeten alle bedrijven aan de eisen uit het besluit voldoen. Daarnaast moeten stallen in de provincies Noord-Brabant en Limburg voldoen aan aanvullende vereisten. 

Daarnaast is er ook een effect, zij het beperkt, van de Subsidieregeling sanering varkenshouderij (Srv). Deze regeling, met een openstelling voor deelnemers tussen januari 2019 en januari 2020, was een vrijwillige beëindigingsregeling voor varkenshouderijen, die oorspronkelijk gericht was op het tegengaan van geuroverlast. Later is deze regeling ook onderdeel geworden van het Programma Stikstofreductie en Natuurverbetering. 

Tenslotte speelde in deze periode ook de afschaffing van het melkquotum in 2015, waardoor de landelijke melkveestapel eerst toenam om vervolgens in de periode 2017 – 2019 weer te krimpen vanwege het fosfaatreductieplan en het fosfaatrechtenstelsel. Daarbij speelde grondgebondenheid ook een rol, wat ertoe geleid kan hebben dat de reductie van de melkveehouderij sterker was in de gebieden met relatief veel melkveehouderij.

Landbouwbedrijven in de zones rondom stikstofgevoelige natura 2000-gebieden zijn extensiever

De lagere ammoniakemissie van bedrijven in de 500-meter zone komt hoofdzakelijk omdat er sprake is van meer extensieve bedrijfsvoering. Bedrijfsgegevens laten zien dat hierdoor de productie van deze bedrijven 30% lager ligt  dan landelijk gemiddeld. In deze zones komen relatief meer overige graasdierbedrijven voor (met jongvee, vleesvee of schapen) en er wordt een relatief groter deel van grond gebruikt door melkvee. Intensieve veehouderijen komen relatief minder voor in de 500 meter zone. Daarnaast is de afname van het aantal landbouwbedrijven en het aantal dieren in deze zones in de periode 2010-2021 hoger dan het landelijk gemiddelde. En als laatste is het aandeel bedrijven met agrarisch natuurbeheer, recreatie, verbrede landbouw of biologische landbouw in de 500-meter zones 10-25 % hoger dan het aandeel in de rest van Nederland. 

Bronnen

Deze indicator is afkomstig van het Compendium voor de Leefomgeving (CLO). Voor de volledige indicator en eventueel een actuelere versie kunt u deze indicator in het CLO bezoeken.